
Koeweit, 1991
Toen Irak in augustus 1990 Koeweit binnenviel, ging olie in drie maanden van 17 naar 36 dollar per vat. Negen maanden later was de piek alweer voorbij. Wat zegt die crisis over de hoge olieprijs van nu?
Een oorlog in de Golfregio, tankers die gevaar lopen en een olieprijs die ineens omhoogschiet: voor de automobilist van nu klinkt dat bekend. Maar het is niet de eerste keer. In 1990 zorgde de Iraakse inval in Koeweit voor een van de scherpste prijsschokken uit de geschiedenis van de olie. Een terugblik, en wat je er vandaag van kunt leren.
Inval in Koeweit zet de markt op scherp
Op 2 augustus 1990 viel Irak, onder leiding van Saddam Hussein, buurland Koeweit binnen. Beide landen waren lid van het olie-kartel OPEC. Irak beschuldigde Koeweit ervan schuin onder de grens door te boren en zo Iraakse olie weg te halen. Daarnaast had Irak nog 14 miljard dollar schuld bij Koeweit uit de oorlog met Iran (1980–1988), en vond het dat Koeweit te veel olie oppompte. Dat drukte de prijs en raakte de Iraakse inkomsten.
Samen produceerden Irak en Koeweit vóór de inval zo'n 4,3 miljoen vaten olie per dag. Die olie dreigde ineens weg te vallen, en de markt vreesde dat ook Saoedi-Arabië gevaar liep. Het gevolg: eind juli kostte een vat nog 21 dollar, op 6 augustus al 28 dollar. Medio oktober bereikte de prijs een piek van 46 dollar per vat.
Van 17 naar 36 dollar gemiddeld
Kijk je naar maandgemiddelden, dan is het beeld net zo duidelijk. In juli 1990 kostte een vat olie gemiddeld 17 dollar, in oktober 36 dollar. Dat is ruim een verdubbeling in drie maanden.
Toch bleef deze schok kleiner en korter dan de oliecrises van 1973–1974 en 1979–1980. Na ongeveer negen maanden was de piek voorbij. Toen de door de Verenigde Staten geleide coalitie militair succes boekte, nam de angst voor langdurige tekorten af en zakte de prijs weer. Daarna daalde olie gestaag tot 1994. In de Verenigde Staten droeg de prijsstijging wel bij aan de recessie van begin jaren negentig.
Brandende oliebronnen
Het bekendste beeld van die oorlog zijn de brandende oliebronnen. Bij hun terugtocht uit Koeweit staken Iraakse troepen naar schatting 605 tot 732 oliebronnen in brand, plus olieplassen en met olie gevulde loopgraven. De sabotage begon op 16 januari 1991, toen de geallieerde luchtaanvallen startten. De laatste bron werd pas op 6 november 1991 afgedicht. Het duurde jaren voordat Irak en Koeweit samen weer evenveel olie produceerden als vóór de inval.
Wat dit betekent voor de automobilist van nu
Ook nu houdt onrust in de Golfregio de olieprijs hoog, zoals je leest in ons stuk over de Straat van Hormuz. De crisis van 1990 leert een paar dingen.
- Angst stuwt de prijs, niet alleen het tekort. De prijs schoot omhoog voordat er echt minder olie op de markt kwam. Zodra het risico kleiner werd, zakte hij ook weer. Nieuws over de veiligheid van olievelden en scheepsroutes is daarom vaak belangrijker dan de werkelijke productie.
- Een piek is meestal tijdelijk. In 1990 duurde de prijsschok zo'n negen maanden. Er is geen garantie dat het nu net zo gaat, maar hamsteren of in paniek tanken loont zelden.
- De pompprijs volgt met vertraging. In Nederland bestaat een groot deel van de literprijs uit accijns en btw, waardoor de pompprijs minder hard schommelt dan de olieprijs zelf. Een dure periode kan wel lang aanhouden, omdat raffinage en transport ook duurder worden.
Wie nu wil besparen, kan zelf het meeste doen: zuiniger rijden, ritten combineren en kritisch kijken waar je tankt. Woon je in de buurt van de grens, dan kan tanken in België of Duitsland flink schelen, maar alleen als de omrijkilometers het niet weer opeten. Reken het uit met de rekenhulp tanken over de grens. Wat een rit je bij de huidige prijzen kost, zie je met de ritkosten-rekenhulp.
Bronnen: Wikipedia, 1990 oil price shock en Kuwaiti oil fires.